Huisuitzetting in Jeruzalem

Onderstaande artikel is gebaseerd op een tekst van Shaiya Rothberg – inwoner van Jeruzalem en met zijn toestemming gebruikt.[i]

Onze generatie is getuige geweest van een Renaissance van het Jodendom in Jeruzalem. Er is veel dat heilig, mooi en inspirerend is. Maar voortgaand staatsgeweld tegen Palestijnse inwoners vanwege hun etnisch-nationale identiteit is ook een uitdrukking van de hedendaagse Joodse realiteit.

Februari 2019 werd de familie Abu Assab – inwoners van Jeruzalem ten onrechte uit hun huis verdreven als gevolg van discriminatie tegen Palestijnen. Dit gezin is niet het slachtoffer geworden van een anomalie, maar van een systematisch beleid van huisuitzettingen, dat al veel slachtoffers heeft geëist en dat dreigt tientallen extra gezinnen in Jeruzalem te overvallen. Al generaties lang zijn joden het slachtoffer geworden als een minderheid in landen over de hele wereld. Maar terwijl de Israëlische regering de Palestijnse minderheid misbruikt, staan vele joden gewoon onverschillig toe te kijken. Erger nog: Joodse identiteit – nationaal en religieus – is de belangrijkste katalysator voor dit onrecht. Waar is de Joodse inzet voor sociale rechtvaardigheid wanneer we dit het meest nodig hebben?

De juridische achtergrond van de huisuitzettingen is complex, maar de bottom line is duidelijk. Het verhaal begint in 1948. De stad werd als het ware in tweeën gedeeld. Een Israëlisch deel en een Jordaans deel. Na de oorlog waren er aldus veel Palestijnse huizen in het Israëlische West-Jeruzalem waarvan de eigenaars in het Jordaanse Oost-Jeruzalem verbleven. En er waren ook joodse huizen in het Jordaanse Oost-Jeruzalem waarvan de eigenaren in het Israëlische West-Jeruzalem verbleven. Zowel Israël als Jordanië gebruikten de huizen van deze “afwezigeigenaars” om vluchtelingen aan hun eigen kant in te huisvesten. De familie Abu Assab verloor bijvoorbeeld zijn huis in Baka aan joden, maar ontving een huis dat eerder in het bezit was van joden in het islamitische kwartier van de oude stad.

Ik rechtvaardig niet de acties van zowel Israël als Jordanië in deze context. Ik geloof dat beide landen de eigendomsrechten van de “afwezige” eigenaren hadden moeten beschermen. Er was echter een beetje “gerechtigheid in oorlogstijd” in dit beleid: ten minste vluchtelingen vonden huizen. Maar er is geen rechtvaardigheid in ons beleid van huisuitzettingen nu. Na het veroveren van Oost-Jeruzalem in 1967, bepaalde Israël bij wet dat Joden verloren bezittingen in Oost-Jeruzalem kunnen terughalen, maar Palestijnen kunnen verloren huizen en land niet terugwinnen in West-Jeruzalem (of elders in Israël). Zodoende kan de familie Abu Assab zijn huis in Baka niet terugkrijgen. En we hebben ze net uit hun huis van meer dan een halve eeuw in het Moslimkwartier verdreven, waardoor ze voor de tweede keer vluchtelingen werden.

Dit beleid is onrechtvaardig en het moet benadrukt worden dat in feite degenen die de familie Abu Assab vervangen en andere verdreven Palestijnse families, niet afstammelingen zijn van de oorspronkelijke Joodse eigenaren, waarvoor men dan begrip zou kunnen opbrengen als zij de eigendommen van hun voorouders willen recupereren. Maar het zijn eerder ideologische kolonisten georganiseerd door rechtse NGO’s. Dit wordt mogelijk gemaakt door samenspanning met de overheid. Israël heeft bijvoorbeeld het eigendom van veel Palestijnse huizen die naar verluidt vóór 1948 door joden waren bezeten, overgedragen aan openbare trusts. De rechtse NGO’s hebben de controle over deze openbare trusts verkregen met hulp van overheidsinstanties. De trusts gebruiken vervolgens de rechtbank om Palestijnse families uit te zetten om hen te vervangen door kolonisten.

Een dergelijke gelegaliseerde discriminatie is een bespotting van de rechtsstaat. Bovendien, aangezien een groot deel van de staat Israël vóór 1948 op eigendom van Palestijnen zit, is het vaststellen van een “recht op terugkeer”, bestaande uit het verdrijven van de huidige bewoners om eigendommen terug te geven aan hun oorspronkelijke eigenaars, ronduit zelfvernietigend. De ultra-nationalistische waanzin die het overheidsbeleid domineert, is gevaarlijk uit de hand gelopen.

De natuurlijke plaats van Joden is in de frontlinie tegen dergelijke onrechtvaardigheid. Settler-leiders en bondgenoten van de overheid pleiten voor gezinsuitzettingen in naam van hun ultranationalistische ideologie. Maar collectief narcisme is een gruwel voor het authentieke jodendom. Bijna drieduizend jaar geleden liep de profeet Jesaja door de straten van het heilige Jeruzalem en veroordeelde de discriminerende gezinsuitzettingen uit zijn eigen dagen. Hij riep: “Wee degenen die het ene huis bij het andere voegen en het ene veld bij het andere trekken tot er geen ruimte meer is en zij als enigen in het land wonen!” (Jesaja 5:8)
הוֹי, מַגִּיעֵי בַיִת בְּבַיִת–שָׂדֶה בְשָׂדֶה, יַקְרִיבוּ:  עַד אֶפֶס מָקוֹם, וְהוּשַׁבְתֶּם לְבַדְּכֶם בְּקֶרֶב הָאָרֶץ.

In zijn commentaar op het boek Jesaja legde de grote middeleeuws-joodse commentator Rashi de woorden van de profeet uit. Wat bedoelt Jesaja door Wee te zeggen tegen hen die zich huisvesten? Rasji legt uit dat hij doelt op machtige elites die “het ene huis aan het andere verbinden [voor zichzelf], waarbij ze het land van de zwakken en armen tussen de twee huizen innemen … totdat er geen plaats is voor de armen om te leven.” Zij handelen alsof er noch G-d noch gebod is en stelen het land van de zwakken.

 Op dit moment worden veertig leden van de Sabbagh-familie in Sheikh Jarrah geconfronteerd met dreigende uitzetting. Ze gaan verdreven worden uit hun huizen om hen te vervangen door Joodse kolonisten die geen banden hebben met de vermeende oorspronkelijke joodse eigenaren van het pand. Tegelijkertijd weigert men hun de gebouwen terug te geven – die nog steeds bestaan! – dat ze vóór 1948 in Yaffo hadden. Deze uitzettingen vandaag, net zoals diegenen waarover Jesaja duizenden jaren geleden sprak, zijn een ontheiliging van alles wat heilig en mooi is voor de Joodse traditie. Shaiya zegt: “We moeten gebruik maken van de kracht van het jodendom en de band van onze mensen met Jeruzalem om een einde te maken aan discriminerende gezinsuitzettingen.”

Iedereen zal ermee akkoord gaan dat huisuitzetting een heel traumatische gebeurtenis is en individuen, gezinnen, families en een hele gemeenschap diep kan kwetsen. Aldus ontstaan er haatgevoelens die zeer diep kunnen zitten en bij het minste evenement tot een explosie van geweld kunnen leiden. Ik denk niet dat dit de oplossing is voor Israël om een vredig bestaan te hebben te midden van haar buren.

Het spreek vanzelf dat ook waar in de Arabische wereld men huizen of bezittingen van joodse burgers heeft ontnomen tijdens spanningen men deze of de waarde hiervan zou moeten teruggeven aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen.


[i] Dit artikel maakt deel uit van een reeks over de situatie in Israël/Palestina en de verhouding tussen Joden en Moslims. Wij worden in het Nieuws regelmatig geconfronteerd met wat in het Midden-Oosten gebeurt en worden uitgenodigd een standpunt in te nemen voor of tegen Israël, voor of tegen de Arabische bewoners in Israël en de gebieden die als Palestina bekend zijn komen te staan. We worden bijna gedwongen om zwart-wit te denken, maar ik geloof dat er veel grijze vlakken zijn en zonder historische achtergrond is het moeilijk een evenwichtig oordeel te vellen in deze zaak. Ik roep op tot dialoog en wederzijds begrip en het streven naar shalom/salaam (vrede) tussen Yitzak en Ismaïl.

Valenciennes – France, 21 Joumada ath-thania 1440 Hijri